Wat doen we?  Onderzoeken vrouw


Immunologisch onderzoek


Gevolg gevend aan een EU-richtlijn en om in het laboratorium te kunnen werken met gegarandeerd veilig materiaal, worden de infectietesten op hepatitis B en C, HIV en syfilis bij elke nieuwe IVF- of ICSI-poging herhaald.
Routinebloedtest
Cervixonderzoek
Antilichamen tegen sperma
      TAT-test
      SCMC-test
 
Routinebloedtest [bloedprik | polikliniek, zie ook praktisch]
Tijdens je eerste consultatie in het CRG en vóór het begin van enige vruchtbaarheidsbehandeling, zal een bloedstaaltje worden afgenomen. Dat dient niet alleen om je hormonale waarden te bepalen, maar ook om een infectie-onderzoek te doen.
Zo wordt je bloed getest op de aanwezigheid van antilichamen tegen het aidsvirus (HIV), geelzucht (hepatitis B) en hepatitis C, tegen syfilis, CMV (cytomegalievirus), rubella (rodehond) en toxoplasmose (de kattenziekte). Die twee laatste kunnen namelijk, als je ze in het begin van de zwangerschap zou krijgen, tot ernstige afwijkingen van het embryo leiden.
De aanwezigheid van antistoffen wijst erop dat je hetzij geïnfecteerd bent of geweest bent met de ziekte in kwestie, hetzij ertegen gevaccineerd. Tegen rodehond kan je je (alsnog) laten vaccinerren voor je aan een vruchtbaarheidsbehandeling begint, voor toxoplasmose kan dat helaas niet.
Cervixonderzoek [consultatie | labo]
Met deze test wordt de rekbaarheid van het cervixslijm nagegaan.
De eerste consultatie in het CRG gaat bij de vrouw meestal gepaard met een gynaecologisch onderzoek, tenzij dat al gebeurd zou zijn bij je eigen gynaecoloog.
Bij die gelegenheid wordt met een staafje wat slijm uit de baarmoederhals genomen en met een ander staafje een 'uitstrijkje', d.w.z. cellen uit de baarmoederhals.
  • Het uitstrijkje dient in het laboratorium als basis voor de zogeheten pap-test: die kan uitwijzen of je geen risico loopt op baarmoederhalskanker.
  • Het slijm wordt dan weer onderzocht op de aanwezigheid van infecties zoals ureaplasma, mycoplasma en andere.

  

Antilichamen tegen sperma
Soms maak je als vrouw ook antilichamen aan tegen zaadcellen. Je lichaam behandelt de zaadcellen dan als kwalijke indringers en gaat ertegen in het verweer. De antistoffen worden geproduceerd door de witte bloedcellen en gaan zich aan de zaadcellen hechten zodat die samenklitten. Daardoor verliezen ze hun bewegingsvrijheid en het vermogen om de eileider en eicel te bereiken.
Ook een man kan trouwens antilichamen tegen zijn eigen aanmaken: zie daarvoor immunologische onderzoeken bij de man.
De aanwezigheid van antilichamen kan worden nagegaan via een bloedtest, maar soms worden ook sperma en baarmoederhalsslijm samengebracht, om uit te maken hoe goed of hoe slecht de zaadcellen het slijm penetreren.
TAT (Tray-Agglutinationtest) [bloedprik | labo andrologie]
Deze test wordt ook wel de 'Fribergtest' genoemd, naar de man die de testmethode ontwikkelde. In het laboratorium wordt je bloed in contact gebracht met (anonieme) spermacellen, om na te gaan of er zich geen agglutinerende antistoffen in bevinden.
'Agglutineren' betekent zoveel als 'doen samenklitten' en dat wijst meteen op een beperking van de test: hij spreekt zich niet specifiek uit over de aanwezigheid van antilichamen tegen zaadcellen alleen. Hij levert dan ook vaak vals-positieven op.
Daarom, als de TAT-test aantoont dat je antilichamen aanmaakt, is het aangewezen om dat resultaat te laten verifiëren met een SCMC-test (zie hieronder). Maar voor een eerste screening gaat de voorkeur naar de bloedtest, omdat hij weinig vals-negatieven oplevert. Als er volgens de TAT-test geen antistoffen aanwezig zijn, dan zijn er doorgaans ook geen. Je kan het het instructieformulier hier downloaden of bij je counselor of arts aanvragen.
Sperma cervical mucus contact test (SCMC-test) 
[consultatie vrouw | spermastaaltje man | labo andrologie]
Deze test heeft hetzelfde doel als de vorige: nagaan of je als vrouw antilichamen aanmaakt tegen zaadcellen. Maar hij maakt ook een meer algemene evaluatie mogelijk over hoe de zaadcellen van je partner zich gedragen als ze in contact komen met je baarmoederhalsslijm (vandaar de naam van de test). Het onderzoek wordt uitgevoerd rond de dertiende dag van je cylus; ter voorbereiding moet je eventueel enkele dagen hormonen innemen om je cyclus te ondersteunen. Je kan het instructieformulier hier downloaden of bij je counselor of arts aanvragen.
Baarmoederhalsslijm
SCMC: zaadcellen penetreren het baarmoederhalsslijm
Voor het onderzoek zelf wordt tijdens een gynaecologische consultatie met een tangetje wat slijm uit je baarmoederhals gehaald. Je partner van zijn kant moet een spermastaaltje afleveren. Hij kan dat eventueel thuis produceren en (binnen het uur!) op het CRG afleveren. In de tussentijd moet het op lichaamstemperatuur worden bewaard.
In het labo worden het baarmoedershalsslijm en het sperma samengebracht in een schaaltje, en wordt gekeken of de spermacellen normaal beweeglijk blijven.
Deze test wordt soms ook uitgevoerd ter voorbereiding van KID: kunstmatige inseminatie met donorsperma. In dat geval wordt het baarmoederhalsslijm van vrouw samengebracht met het (gedooide) spermastaaltje van de potentiële donor.
Postcoïtale test (Sims-Huhnertest) [consultatie vrouw | labo andrologie]
Als theorie klinkt deze test eenvoudig: nadat je seksuele betrekkingen hebt gehad moet je op gynaecologisch onderzoek, waar met een tangetje wat slijm uit je baarmoederhals wordt genomen. In het laboratorium wordt dan onderzocht of daar zaadcellen in zitten en of ze bewegen.
In de praktijk echter valt het tegen, want één en ander is niet zo eenvoudig te plannen. Om te beginnen moet je die seksuele betrekkingen hebben zo'n acht uur voor je op consultatie gaat. Bovendien gaan aan het eigenlijke onderzoek een aantal bloedanalyses en echografieën van het baarmoederslijmvlies vooraf, om ervoor te zorgen dat de test op het goede moment in je cyclus wordt uitgevoerd. En tot slot levert de test relatief veel valse resultaten op. 
Ook bij deze test hoort (hetzelfde) instructieformulier.
Top