Wat doen we?  IVF|ICSI


Vaak gestelde vragen bij IVF


Kan je zelf iets doen?
Hoewel een IVF-behandeling een medisch proces is waar je zelf weinig invloed op kan uitoefenen, zijn er een aantal aspecten in verband met je levensstijl die de kans op een succesvolle afloop verhogen.
Stoppen met roken - voor beide partners - is daar de belangrijkste van.
Als je meer wil wil weten over de invloed van roken, overgewicht, alcohol, stress, sport, etc. op de slaagkans van een IVF-behandeling, klik dan op levensstijl.

wel verstandig?

  
Moeten we onze omgeving inlichten over de IVF-behandeling?
Het is wenselijk dat je op zijn minst enkele mensen informeert.
Als je, en dit is speciaal tot de vrouw gericht, buitenshuis werkt, kan je best zo vlug mogelijk je werkgever op de hoogte brengen. In de loop van de IVF-behandeling word je verschillende keren in het ziekenhuis verwacht: het is gemakkelijker als je werkgever de ware reden van je afwezigheid kent. Door een open aanpak zal je vermoedelijk ook op meer begrip kunnen rekenen als je tijdens je werk eens wordt afgeleid door stress of de lichamelijke ongemakken van de behandeling. Het kan een hele steun en opluchting zijn als je van tijd tot tijd met vrienden of familieleden over je ervaringen en gevoelens kan praten.
Wel doe je er goed aan maar een beperkt aantal mensen in te lichten. Anders krijg je voortdurend vragen over het vorderen van de behandeling, wat tot pijnlijke situaties kan leiden als zwanger worden niet meteen lukt. Zowel professioneel als privé heb je aan één of enkele vertrouwenspersonen al genoeg.
Je durft anderen niet zeggen dat je een vruchtbaarheidsprobleem hebt? Ten onrechte. Bij tien tot twintig procent van alle paren gaat het krijgen van een kind niet vanzelf. Maar als de drempel om met je omgeving over IVF te spreken toch te hoog is, kan je voor ondersteuning altijd terecht bij je counselor in het CRG.
Tast de stimulatie van de eierstokken de voorraad eicellen aan,
waardoor een vroegtijdige menopauze kan optreden?
Beslist niet. Tijdens de stimulatie worden soms tien of meer follikels tegelijk tot ontwikkeling gebracht, maar tijdens een natuurlijke cyclus ook. Het enige verschil is dat bij een natuurlijke cyclus al die follikels op één of twee na afsterven, terwijl ze bij IVF stuk voor stuk tot rijping kunnen komen. De stimulatie van de eierstokken redt dus veeleer eicellen dan dat ze er verloren doet gaan.
Overigens beschikt een vrouw aan het begin van haar vruchtbare jaren gemiddeld over 400.000 eicellen, waarvan de meeste in de loop van de tijd spontaan afsterven. Bij de stimulatie wordt dus geput uit een grote eicelreserve die bijna geheel tot ongebruikt verdwijnen is voorbestemd.
Zijn de hormoonbehandelingen schadelijk?
De toegediende hormonen kunnen bijwerkingen veroorzaken, dat wel. Maar gelukkig zijn die niet gevaarlijk en slechts van tijdelijke aard (zie ovarieel hyperstimulatiesyndroom).
Dat de bij IVF gebruikte hormonen kankerverwekkend zouden zijn of andere schadelijke gevolgen zouden hebben, zijn beweringen die niet op bewezen medische gegevens berusten.
Overigens werden de hormonen in kwestie lang vóór de introductie van IVF en op grote schaal toegediend aan vrouwen met vruchtbaarheidsproblemen, zonder dat ooit schadelijke effecten werden vastgesteld.
Toch wordt wereldwijd de invloed van de hormoonbehandelingen nog verder onderzocht. Voor alle veiligheid, zeg maar.
 
Stijgt met IVF de kans op een tweeling of drieling? 
Nee, niet meer. De medische visie van het CRG is er altijd op gericht geweest om slechts een beperkt aantal embryo's terug te plaatsen, en ook de regelgeving over de terugbetaling van de IVF-behandeling heeft als belangrijkste doel de bepreking van het aantal teruggeplaatste embryo's. Waarom is dat zo belangrijk? Wel bij
 vrouwen jonger dan 37 jaar door IVF zwanger worden, bedraagt de kans op een tweeling bijna dertig procent als er twee embryo's en bijna veertig procent als er drie embryo's in de baarmoeder worden geplaatst. In het laatste geval is er ook vijf procent kans op een drieling.
Door een meerlingzwangerschap neemt het risico toe op een miskraam, een vroegtijdige bevalling of andere problemen. Bij een drieling zijn de risico's zo reëel dat in het verleden geregeld werd overgegaan tot een selectieve embryoreductie, d.w.z. het terugbrengen het aantal ingenestelde embryo's van drie tot twee.
Het hogere aantal twee- en drielingen verklaart eveneens waarom de perinatale sterfte (het aantal kinderen dat sterft tussen de 28ste week van de zwangerschap en de zevende dag na de geboorte) bij IVF duidelijk boven het gemiddelde ligt. Die grotere perinatale sterfte heeft dus niets te maken met de bevruchting in het laboratorium.
Om aan deze belangrijke gezondheidsoverwegingen tegemoet te komen, heeft de wetgever in 2003 het aantal embryo's dat teruggeplaatst mag worden strikt geregeld en afhankelijk gemaakt van de leeftijd van de vrouw en het aantal behandelingen dat ze al achter de rug heeft. Zie daarvoor financieel: sinds die wettelijke regeling van kracht werd is immers ook de terugbetaling voorzien van de laboratoriumkost van de behandeling. 
Komt een buitenbaarmoederlijke zwangerschap vaker voor bij IVF?
Voor een vrouw die op de natuurlijke manier zwanger raakt, bedraagt de kans op een buitenbaarmoederlijke zwangerschap één procent. Voor een vrouw die zwanger wordt via IVF is die kans niet groter, tenzij ze een beschadiging heeft aan de eileider(s).
Dat de IVF-behandeling op zich toch tot een buitenbaarmoederlijke zwangerschap kan leiden, hoeft geen verwondering te wekken. Hoewel bij de transfer de embryo's zorgvuldig in de baarmoeder worden geplaatst, zullen ze zich niet meteen aan de baarmoederwand hechten. Dat verklaart waarom ze soms toch nog migreren naar de eileider en daar tot ontwikkeling komen. De zwangerschap moet in dat geval worden onderbroken (zie onderbreking buitenbaarmoederlijke zwangerschap).
 
Hoe weten we zeker dat de embryo's die in de baarmoeder worden geplaatst
de ónze zijn?
Het CRG hanteert strenge en betrouwbare procedures voor de identificatie van eicellen, zaadcellen en embryo's. Sinds april 2005 heeft het daavoor een ISO 15189 accreditering gekregen.
Er wordt geen enkel risico genomen. Zo controleren in het laboratorium altijd twee personen onafhankelijk van elkaar de precieze herkomst van de cellen en embryo's. In de loop van uw behandeling wordt ook veelvuldig naar je naam geïnformeerd: je weet nu meteen waarom dat is. In de praktijk zijn vergissingen, lees: verwisselingen, eigenlijk uitgesloten. 
Is het invriezen van embryo's voor later gebruik wel verstandig?
De nieuwe wetgeving over geassisteerde bevruchting en alles wat daarbij komt kijken, bepaalt dat je vóór het begin van je behandeling moet beslissen wat er met de boventallige embryo's moet gebeuren. Dat zijn de embryo's die uit je behandeling zijn ontstaan, maar die je niet nodig hebt gehad voor de terugplaatsing. In het contract "Overtallige embryo's" moet je te kennen geven of je ze laat invriezen of niet. Doe je dat wel, dan moet bij een eventuele volgende IVF-poging of als je nog een kind wilt, éérst dat ingevroren materiaal aangesproken worden. Vandaar de vraag: is het invriezen van embryo's wel veilig voor de vrucht en/of interessant vnauit het oogpunt van de behandeling? Wat het eerste betreft: uit niets blijkt dat uit ingevroren embryo's meer baby's met afwijkingen voortkomen. Maar op het niveau van de behandeling is het een feit dat niet alle embryo's het invriezen overleven en dat zij die daar wel in slagen een kleinere kans hebben dan 'verse' embryo's om zich in te nestelen in de baarmoeder en uit te groeien tot een kind.
Daarnaast is er nog een emotioneel-psychologisch aspect. Want in het contract moet je ook bepalen wat je na vijf jaar met de ingevroren embryo's zal doen als je ze zelf niet nodig hebt gehad: wegschenken (donatie), vernietigen of bestemmen voor wetenschappelijk onderzoek. Misschien krijg je daar achteraf moreel moeite mee, i.h.b. als de IVF-behandeling geleid zou hebben tot de vervulling van je kinderwens.
Tot slot: als de kans reëel is dat je zou beslissen om telkens vers materiaal te gebruiken (omdat de slaagkans dan groter is) heeft het geen zin om in het contract "Overtallige embryo's" te kiezen voor invriezen en bewaren. Wettelijk ben je immers verplicht om eerst de ingevroren embryo's te gebruiken voor je aan een nieuwe poging met vers materiaal mag beginnen.
 
WAT GEBEURT ER MET ONS INGEVROREN GENETISCH MATERIAAL ALS ONZE PERSOONLIJKE LEVENSOMSTANDIGHEDEN WIJZIGEN?
Aan het begin van de vruchtbaarheidsbehandeling moeten jullie een contract ondertekenen waarin jullie beslissen wat er met het ingevroren genetisch materiaal moet gebeuren als jullie het niet meer nodig hebben. Dat geldt ook als je als man spermacellen hebt laten invriezen die in het kader van de behandeling via een ingreep werden verzameld.
Als je kinderwens vervuld is of als je afziet van verdere behandeling heb je de keuze tussen het materiaal afstaan voor donatie, het laten vernietigen of het bestemmen voor wetenschappelijk onderzoek.
Echter, als je persoonlijke situatie verandert terwijl je het genetisch materiaal in principe nog nodig kan hebben, gelden andere regels. De nieuwe wetgeving (2007) over geassisteerde bevruchting en alles wat daarmee samenhangt, bepaalt dat je ook dáárover vooraf moet nadenken, en je beslissing kenbaar maken in het toestemmingscontract. Dus als je in de loop van de behandeling uit de echt zou scheiden of als één van beide partners zou komen te overlijden, hangt het van jullie contractuele beslissing af wat er met het bewaarde materiaal gebeurt en of de ene partner er na het overlijden van de andere partner nog aanspraak op kan maken. Zo lang de afgesproken bewaartijd loopt kunnen jullie jullie beslissing herzien, maar dan wel eensgezind: elke herziening moet door beide oorspronkelijke partners ondertekend zijn.
 
Komen afwijkingen meer voor bij IVF-kinderen dan bij gewone kinderen?
De kinderen die door IVF in het CRG van UZ Brussel zijn verwekt, worden door het Centrum voor Medische Genetica (CMG)  onderzocht als ze twee maanden, één jaar en twee jaar oud zijn. Bij ongeveer drie procent worden afwijkingen vastgesteld. Dat percentage correspondeert niet alleen met dat van andere bekende IVF-centra, maar ook met het percentage afwijkingen bij kinderen die op een natuurlijke manier zijn verwekt. Niets wijst dus op een verhoogd risico.
Wel is het voor sommige nieuwe technieken die in het spoor van IVF zijn ontstaan nog te vroeg om duidelijke conclusies te trekken. Daarvoor ontbreekt het aan voldoende cijfermateriaal. Zo brengt ICSI op het eerste gezicht geen extra gevaar voor afwijkingen mee, maar absoluut zeker is dat nog niet.
 
Kunnen we zelf kiezen of we een zoontje of een dochtertje krijgen?
Tegenwoordig kan het geslacht van de IVF-embryo's worden bepaald vóór ze in de baarmoeder worden geplaatst (zie Labo-onderzoeken embryo). Een selectie op basis van het geslacht gebeurt echter uitsluitend als daar goede medische redenen voor bestaan, m.a.w. om het risico op een erfelijke aandoening te vermijden die aan het geslacht van de baby gebonden is.
Met een louter persoonlijke voorkeur kan om ethische redenen geen rekening worden gehouden.